Inflatie en beleggingsinkomen zijn nauw met elkaar verbonden. Een maandelijkse uitkering kan in euro’s gelijk blijven of zelfs stijgen, terwijl de hoeveelheid goederen en diensten die ermee kan worden gekocht afneemt. Daarom kijken wij niet alleen naar het nominale bedrag dat een belegging uitkeert, maar ook naar de ontwikkeling van de reële koopkracht.

Dat onderscheid is belangrijk voor beleggers die hun portefeuille gebruiken als aanvulling op hun inkomen. Inflatie werkt bovendien niet bij iedere beleggingscategorie op dezelfde manier. Sommige inkomstenbronnen reageren relatief snel op hogere prijzen of rente, terwijl andere juist langere tijd onder druk kunnen staan.

Inflatie en beleggingsinkomen: nominaal versus reëel

Een nominale uitkering is het bedrag dat daadwerkelijk wordt ontvangen. Denk aan dividend, rente of een periodieke uitkering uit een beleggingsfonds. Het nominale bedrag zegt echter niet hoeveel ermee kan worden gekocht.

Daarvoor is het reële rendement relevanter. Dit is het rendement na correctie voor inflatie. In eenvoudige vorm kan een belegger het nominale rendement verminderen met het inflatiepercentage om een eerste indicatie te krijgen. Bij grotere percentages is de exacte berekening iets genuanceerder, maar het principe blijft hetzelfde: inflatie verlaagt de koopkracht van het behaalde resultaat.

Een voorbeeld zonder vaste marktverwachtingen: wanneer een belegging in een bepaalde periode een positieve nominale opbrengst heeft, maar de prijzen in diezelfde periode sneller stijgen, kan het reële resultaat negatief zijn. De rekening ontvangt dan wel inkomen, maar de economische waarde ervan neemt af.

Belangrijk is ook dat een uitkering niet automatisch gelijkstaat aan rendement. Een fondsuitkering kan bestaan uit ontvangen dividend of rente, gerealiseerde resultaten en soms een terugbetaling van kapitaal. Voor een goede beoordeling kijken wij daarom naar het totaalrendement én naar de samenstelling van de uitkering.

Wat bepaalt de koopkracht van dividend en rente?

De koopkracht van dividend of rente wordt door meer bepaald dan alleen het actuele inflatiecijfer. Onder meer de volgende factoren spelen een rol:

  • de groei of daling van de onderliggende kasstromen;
  • het vermogen van ondernemingen om hogere kosten door te berekenen;
  • de looptijd en rentegevoeligheid van obligaties;
  • de kwaliteit van de balans en de houdbaarheid van uitkeringen;
  • economische groei, kredietverliezen en marktwaarderingen;
  • belastingen en kosten;
  • valutabewegingen bij beleggingen buiten de eurozone.

Dividend kan meegroeien, maar hoeft dat niet

Ondernemingen met sterke marktposities kunnen hogere inkoop-, loon- of energiekosten soms doorberekenen aan klanten. Daardoor kunnen omzet, winst en op termijn ook dividend meestijgen met het prijsniveau. Dit kan bijdragen aan het behoud van de koopkracht van dividend.

Dat mechanisme is niet vanzelfsprekend. Wanneer kosten sneller stijgen dan verkoopprijzen, komen winstmarges onder druk. Ook kan een onderneming besluiten om minder uit te keren, bijvoorbeeld om schulden af te bouwen of investeringen te financieren. Een hoog dividendrendement is daarom niet automatisch een teken van inflatiebescherming; het kan ook wijzen op een gedaalde beurskoers of twijfel over de houdbaarheid van de uitkering.

Vaste rente reageert anders

Bij een traditionele obligatie ligt de coupon doorgaans vast. Stijgen de consumentenprijzen, dan daalt de koopkracht van die vaste betaling. Daarnaast kunnen hogere marktrentes leiden tot lagere obligatiekoersen, vooral bij lange looptijden.

Op langere termijn kan een hogere renteomgeving juist nieuwe mogelijkheden bieden. Aflopende obligaties kunnen dan mogelijk worden vervangen door leningen met een hogere coupon. Hoe snel een portefeuille hiervan profiteert, hangt onder meer af van de looptijden, kredietkwaliteit en het moment van herbeleggen.

Inflatiegevoeligheid verschilt per beleggingscategorie

Er bestaat geen categorie die onder alle omstandigheden volledig inflatiebestendig is. De term inflatiebestendige beleggingen vraagt daarom om nuance. De reactie hangt af van de oorzaak en duur van de inflatie, het rentebeleid en de waardering bij aankoop.

Aandelen en dividendfondsen

Aandelen vertegenwoordigen belangen in ondernemingen. Op lange termijn kunnen omzet en winst in nominale termen meegroeien met het prijsniveau. Bedrijven met prijszettingsmacht, beperkte schulden en een beheerste kostenstructuur kunnen daarbij in het voordeel zijn.

Toch kunnen aandelen op korte termijn sterk dalen bij oplopende inflatie. Hogere rente verhoogt de disconteringsvoet waarmee toekomstige winsten worden gewaardeerd. Ook kunnen winstmarges verslechteren. Dividendfondsen bieden dus geen automatische bescherming tegen inflatie en kunnen hun uitkeringen verlagen.

Vastgoed en infrastructuur

Vastgoed- en infrastructuurbeleggingen hebben soms inkomsten die periodiek aan inflatie zijn gekoppeld, bijvoorbeeld via huurcontracten of gereguleerde tarieven. Dit kan de kasstromen ondersteunen.

Daar staan risico’s tegenover. Hogere financieringskosten, leegstand, onderhoudsuitgaven, regelgeving en dalende vastgoedwaarderingen kunnen het resultaat drukken. De mate van inflatiegevoeligheid verschilt bovendien sterk tussen sectoren, regio’s en individuele fondsen.

Obligaties en kredietfondsen

Obligaties met een vaste coupon zijn meestal gevoelig voor onverwachte inflatie. Leningen met een variabele rente passen zich vaak sneller aan de marktrente aan, waardoor hun lopende inkomsten kunnen stijgen. Een hogere rente vergroot echter ook de financieringslasten van kredietnemers en daarmee mogelijk het kredietrisico.

Inflatiegerelateerde obligaties koppelen de hoofdsom of vergoeding volgens bepaalde voorwaarden aan een officiële inflatiemaatstaf. Zij kunnen bescherming bieden tegen specifieke inflatieontwikkelingen, maar blijven gevoelig voor reële rente, marktprijs, kredietwaardigheid en de gekozen inflatie-index.

Grondstoffen en kasmiddelen

Grondstoffen kunnen tijdens bepaalde inflatieperiodes in waarde stijgen, vooral wanneer schaarste of hogere energie- en productiekosten de inflatie veroorzaakt. Zij leveren doorgaans echter geen stabiel dividend of rente-inkomen op en kunnen sterk schommelen.

Kasmiddelen hebben een stabiele nominale waarde, maar verliezen koopkracht wanneer de ontvangen rente lager is dan de inflatie. Bij een hogere spaarrente kan dit verschil kleiner worden, zonder dat het inflatierisico volledig verdwijnt.

Wanneer hogere inflatie tot hogere uitkeringen kan leiden

Inflatie leidt niet uitsluitend tot koopkrachtverlies. Bij bepaalde fondsen kunnen de inkomsten na verloop van tijd toenemen. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer:

  1. ondernemingen hun prijzen en winstgevendheid weten te verhogen;
  2. variabel rentende leningen een hogere vergoeding gaan betalen;
  3. obligaties tegen hogere marktrentes worden herbelegd;
  4. huurcontracten of infrastructuurtarieven worden geïndexeerd;
  5. buitenlandse inkomsten door valutabewegingen meer euro’s opleveren.

Deze aanpassingen vinden niet altijd direct plaats. Er kan een vertraging bestaan tussen hogere inflatie, hogere rente en een verandering van de portefeuille-inkomsten. Bovendien kunnen tegenvallende koersen of kredietverliezen een hogere lopende opbrengst geheel of gedeeltelijk tenietdoen.

Een stijgende uitkering is daarom niet hetzelfde als een stijgend totaalrendement. Voor de financiële positie van een belegger tellen zowel ontvangen uitkeringen als waardeveranderingen van de belegging.

Inflatie en beleggingsinkomen binnen een gespreide portefeuille

Omdat categorieën verschillend reageren, kan brede spreiding helpen om afhankelijkheid van één inflatiescenario te beperken. GGR Income Fund belegt in meer dan 50 onderliggende hoog-dividendfondsen van meer dan 35 fondsbeheerders, waaronder fondsen die voor particuliere beleggers niet altijd rechtstreeks toegankelijk zijn.

Binnen zo’n opzet kunnen verschillende bronnen van inkomen samenkomen, zoals aandelen, krediet, vastgoed en andere inkomensgerichte strategieën. Die spreiding neemt risico’s niet weg. In periodes van marktstress kunnen meerdere categorieën tegelijk dalen en kunnen correlaties oplopen.

Wij kiezen bewust niet voor valutahedging. Buitenlandse beleggingen brengen daardoor valutarisico mee. Een daling van de euro kan buitenlandse inkomsten in euro’s verhogen, terwijl een stijging van de euro juist een negatief effect kan hebben. Valutabewegingen kunnen inflatie-effecten dus versterken of afzwakken, maar zijn niet voorspelbaar en vormen geen structurele inflatiebescherming.

GGR Income Fund heeft een doelstelling van circa 10% per jaar en keert maandelijks kapitaal uit. Deze doelstelling is geen garantie. De kapitaaluitkering kan mede bestaan uit terugbetaling van ingelegd vermogen. Wanneer uitkeringen hoger zijn dan het behaalde rendement, neemt het fondsvermogen af. Transparante rapportage over rendement, portefeuille en uitkeringen is daarom essentieel voor een juiste beoordeling.

Praktisch beoordelen van reëel rendement

Wie beleggingsinkomen gebruikt voor periodieke uitgaven, kan verder kijken dan de hoogte van de meest recente uitkering. Een praktische beoordeling omvat meerdere vragen:

  • Hoe heeft de totale waarde van de belegging zich ontwikkeld, inclusief uitkeringen?
  • Welk deel van de uitkering komt uit inkomsten, resultaat of kapitaal?
  • Is de uitkering stabiel doordat de onderliggende kasstromen stabiel zijn, of doordat kapitaal wordt terugbetaald?
  • Hoe verhoudt het totaalrendement zich tot de inflatie over dezelfde periode?
  • Welke rente-, krediet-, aandelen-, vastgoed- en valutarisico’s zijn aanwezig?
  • Hoe breed is de portefeuille gespreid over beheerders, strategieën en regio’s?
  • Sluit de beleggingshorizon aan bij mogelijke tussentijdse koersdalingen?

Voor koopkracht is vooral de ontwikkeling over meerdere jaren relevant. Een maand of kwartaal kan sterk worden beïnvloed door marktschommelingen. Tegelijk mag een langetermijnperspectief geen reden zijn om risico’s of structurele vermogensafname te negeren.

Ook de persoonlijke situatie telt mee. De inflatie die een huishouden ervaart, kan afwijken van het algemene prijsindexcijfer. Iemand die relatief veel uitgeeft aan wonen, energie of zorg kan een andere koopkrachtontwikkeling ervaren dan iemand met een ander uitgavenpatroon.

Geen eenvoudige bescherming, wel bewuste keuzes

Inflatie maakt duidelijk waarom een hoge nominale uitkering op zichzelf onvoldoende informatie geeft. De koopkracht wordt bepaald door het reële totaalrendement, de kwaliteit en groei van onderliggende inkomsten, kosten, belastingen en persoonlijke uitgaven.

Wij zien spreiding over verschillende inkomensbronnen als een manier om niet afhankelijk te zijn van één rente- of inflatiebeeld. Dat betekent niet dat een gespreide inkomensportefeuille haar waarde behoudt in iedere marktomgeving. Koersen, dividenden, rente-inkomsten en valuta’s kunnen allemaal ongunstig bewegen.

Wilt u meer weten over de werkwijze, spreiding en maandelijkse kapitaaluitkering van GGR Income Fund? Vraag dan vrijblijvend de fondsdocumentatie en aanvullende informatie bij ons aan. Beleggen brengt risico’s mee: u kunt (een deel van) uw inleg verliezen, uitkeringen kunnen wijzigen en de rendementsdoelstelling is geen garantie.